Hoe word je belachelijk goed in je vak (zelfs als je heel middelmatig bent)?

 
Kopie van Ontwerp zonder titel (7).png
 

Ik schrijf zoals ik adem.

Zo moeiteloos stromen prachtige zinnen uit mijn gestaag tikkende vingers.

Maar niet heus, zouden onze Noorderburen zeggen — zeggen ze dat nog? Of is dat geleden van toen er op onze twee Vlaamse zenders niets te zien was, en wij dus noodgedwongen altijd naar Holland 1, 2 of 3 moesten kijken? Theo en Thea! Wedden Dat! De Honeymoonshow! Ja, ik was duidelijk jong in de jaren tachtig. (nu ben ik zeker al mijn jongere lezers verloren, al in de tweede alinea, damn.)

Kijk, zo zou ik dus schrijven als het zo moeiteloos was als ademen. Niet te lezen.

De praktijk beoefenen is niet wat je doet op het moment dát je goed bent in iets, de praktijk is juist hetgeen waardoor je goed in je vak wórdt. (Malcolm Gladwell in “Uitblinkers”)

Juist ja.

Je moet het doen om het te leren. Dus elke keer duw ik mijzelf hier toch over de rand, spring ik op het witte blad. Doe ik maar wat, in de hoop dat het uiteindelijk inspirerend wordt. Of leuk ofzo.

Hoe meer ik mijzelf toestemming geef om er een rommeltje van te maken, om slecht te schrijven, om maar wat te prutsen - hoe meer ik effectief creëer. En hoe meer ik maak, hoe meer goeds er tussen zit.

Kwantiteit boven kwaliteit. Austin Kleon vertelt hoe een docent beeldhouwen zijn klas aan het begin van het schooljaar in twee groepen verdeelde. De ene groep kreeg de opdracht om tegen het eind van het jaar één heel goed werk in te dienen dat zou beoordeeld worden. Laat ons die groep de kwaliteits-groep noemen. De tweede groep kreeg als opdracht om zoveel mogelijk werk te maken, zij zouden beoordeeld worden op het aantal beeldhouwwerken dat ze in een jaar konden creëren. De kwantiteits-groep, zeg maar. En wat was het resultaat? De beste werken zaten tussen die van de groep die op hoeveelheid mikte. Niet bij degenen die hun allerbeste werk probeerden te maken. Uiteraard. Hoe meer we oefenen, hoe beter we worden.

Doen, daar gaat het om, hoe middelmatig ook.

Dus schrijf ik middelmatige stukjes, shitty first drafts. Zodat er woorden op mijn blad komen, zodat er gedachten ontstaan, zodat ik iets in handen heb om daarna te verbeteren. Een mooie metafoor voor alles in het leven, je eerste kus, je eerste onderneming, de eerste ruzie met je nieuwe geliefde: slechte kladversies. Maar je moet ze toch maken, anders komt er daarna niets moois.

First drafts don’t have to be perfect, they just have to be written. All good writers write shitty first drafts. This is how they end up with good second drafts and terrific third drafts. (Anne Lamott)

En terwijl ik hier toch shitty aan het schrijven ben, zal ik er dan maar meteen lompweg mee doorgaan - en een privé-boodschap tussen mijn blog smokkelen? Want lieve E, en N, en M en de andere E, jullie die mij het afgelopen jaar in coach-gesprekken vertelden hoe graag je een coach-praktijk wil opzetten maar hoe je niet over de drempel geraakt. Dit is dus het antwoord, het geheim, de code: gewoon doen.

Begin er aan, bazuin rond dat je cliënten zoekt. Hou op met gratis oefensessies en het coachen van vrienden. Dat werkt niet, want het klopt niet. Zet gerust een lagere prijs, omdat je starter bent, maar werk alleen met mensen die écht een verlangen hebben naar verandering en die écht met jou de verantwoordelijkheid voor hun proces willen nemen. Anders ondermijn je al vooraf de kracht van je begeleiding.

Hou op met denken dat ieder ander al kon coachen voor hij begon.

Je volgde een gedegen opleiding, bij erkende coach-opleiders. Nu is het tijd om te springen. Zoals de startende leerkracht op 2 september straks een volle klas voor zijn neus heeft zitten. En de pas afgestudeerde opvoeder een hele dag alleen de leefgroep begeleidt. Of de beginnende trainer zijn eerste workshop geeft. Zo zijn we allemaal begonnen, shitty.

En we startten bovendien allemaal voor een loon waarvan we nog niet vonden dat we het waard waren. We kregen kansen die ons bang maakten, en er waren verwachtingen die we misschien niet konden vervullen. Maar dat is wellicht de enige mogelijke manier om de kloof tussen ‘wat je worden wil’ en ‘wie je bent’ te dichten: het al worden nog voor je het kan zijn.

Bovendien, om deze keer de zee over te steken: the proof of the pudding is in the eating. Een beroep mag er nog zo boeiend en aantrekkelijk uitzien, je weet pas of het iets voor jou is als je het doet.

Ik snap het helemaal trouwens, het koudwatervrees. Lang en grondig over iets nadenken, alle informatie verzamelen, bewust oefenen voor we iets in de praktijk brengen: het is wat we geleerd hebben. Dat is wat volwassen, verantwoordelijke mensen doen, toch? Maar misschien missen we met al onze slimme voorbereidingen wel de meest essentiële manier om meer te weten te komen: het doen.

10.000 uur oefening hebben we volgens Malcolm nodig om in iets te kunnen uitblinken. Dat is tien jaar lang vier uur per dag. Laten we daar dus vandaag maar mee beginnen.