Burn on!

Had u er al eens één? Een burn-out? Ik wel, enkele jaren geleden had ik een hele mooie. Zo mooi dat ik er een paar maanden thuis van moest bekomen. Waarna ik vrolijk fluitend weer aan het werk toog, dat spreekt voor zich.

Niet dus. Heftig was het. Alleen al het erkennen van het opgebrand-zijn. Toegeven aan mezelf dat ik misschien echt wel niet meer kon. Dat zelfs ik dus grenzen heb. Onverklaarbaar!

De weken en maanden voordien was ik een steeds minder sympathieke collega, vraag het gerust na. Cynisch, onverschillig, een tikje agressief wellicht. Met weinig zin voor initiatief en veel gevoel voor drama. Er ontstond een steeds grotere verwijdering, tussen mij en de mensen waar ik voordien zo goed mee kon samenwerken. Jarenlang was ik nochtans enthousiast, gedreven en gebeten door mijn werk. Toen was het op.

En nee, ik zag het niet aankomen. Sluipend energieverlies, dat is wellicht de beste omschrijving. Sluipend als in: het komt zo stil alsmaar dichter, tot het in je nek springt. Mijn collega’s van toen zagen het trouwens wel aankomen. Maar hoe spreek je iemand daarover aan? Zonder bij te dragen aan de zwaarte? Bovendien was de kans groot, dankzij mijn nogal negatieve houding op dat moment, dat ik hen daar niet vriendelijk zou voor bedanken.

Ik had erg duidelijke signalen nodig om te beseffen dat het anders moest. Omdat ik geen blad meer kon lezen, bijvoorbeeld, zonder mij na een paar zinnen af te vragen wat ik net gelezen had. Dat ik gewicht verloor, voortdurend moe was, vaak huilde. Op het werk bleef ik het liefst alleen in mijn kantoor, met de deur dicht. Telefoneren vermeed ik, en er kwam wekenlang weinig productiefs uit mijn brein. Toen ik ziek werd, griep kreeg, en daarvoor een week thuis was, sloeg de burn-out in volle kracht toe.

Een werk-gerelateerde milde depressie, noemde mijn huisarts het toen. Het mode-woord nu is burn-out. Mode misschien, maar nog steeds een taboe.Voor mij betekende nochtans het onder ogen zien en durven zeggen: ‘ik heb een burn-out’, al de halve genezing. Mogen stoppen, mogen nee zeggen, tijd en ruimte nemen om opnieuw contact te maken met energie en kracht. En dat mandaat ontleende ik net aan de ziekte, aan de definitie: nee, ik ben niet lui, ik lijd alleen even aan een burn-out.

Ik heb de oplossing niet gezocht in de context waarin ik opgebrand raakte. Mijn herstel was gebaseerd op vernieuwing, op nieuwe doelen. Tijdens de periode thuis heb ik, met hulp van een goede coach, een nieuwe ‘missie’ voor mezelf gemaakt. Een nieuw beeld van wat ik wilde met mijn leven en werk, en met de balans daartussen. Die toekomstvisie maakte dat ik weer energie voelde, dat ik weer kon gaan creëren.

En minstens zo belangrijk: sinds mijn burn-out ben ik mij veel bewuster van de signalen die duiden op energieverlies. Ik heb ze veel te lang genegeerd, tot mijn vuur op was. Maar door er toen helemaal in te durven onderduiken, door echt te voelen, ontwikkelde ik goede stoplichten. Mijn buikgevoel, om te weten wanneer iets me niet lekker zit. Wanneer iets energie oplevert of juist kost, en wat ik nodig heb om optimaal te kunnen blijven branden.

Want wie kan opbranden, heeft vuur in zich.   (Annegreet Van Bergen, aan wiens boek ik toen veel heb gehad)

En dat is geruststellend: ik mag dus gewoon vurig blijven.