Ik gun mijn kinderen tegenslag.

December 2006. Een ijskoude speelplaats om kwart voor acht 's morgens. 1 graad onder nul. Ik vraag de opvangjuf of mijn kinderen niet binnen mogen spelen tot de klas begint. Het kan niet. Ik laat dus mijn twee kleuters, dochter van vier en zoon van drie, bibberend achter (en huilend natuurlijk, zij voelen ook haarfijn mijn stemming aan).

Ik herinner mij die hele ochtendlijke processie, om iedereen aangekleed en gevoed te krijgen, om elke dag de deur uit te zijn om 7u15. Omdat de crèche de andere kant uit is. Omdat een baby in de crèche afzetten en twee kleuters mee laten stappen eindeloos veel tijd in beslag neemt. Omdat zelfs de weg van de parking naar de speelplaats met twee kleine kinderen en hun volle boekentassen al een uitdaging is. Omdat mijn werk een dik half uur verder is. Maar ik herinner mij vooral het schuldgevoel. Het in de auto stappen ondanks mijn verkleumende kinderen. Mijn tranen onderweg naar het werk.

En ik herinner mij levendig de reactie van Ilse, de collega waar ik dit alles aan vertel, die schijnbaar begripvol luistert. En daarna een mooi staaltje van omdenken laat zien: "Maaike, je kan je kinderen niet altijd gelukkig maken. Je moet hen ook verdriet en tegenslag gunnen. Ze hebben daar recht op."

Huh? Mijn kinderen hebben het recht om ongelukkig te zijn?

Deze week dronk ik koffie met een oud-collega en hadden we een heel fijn gesprek. Waarin hij vertelde dat zijn zoon van tien het zo moeilijk had op school en met vriendjes. Oké, ik weet niet of het ergens beschreven staat, maar ik heb bij elk van mijn kinderen gezien hoe ze rond hun tiende ongelukkig waren met hun leeftijdgenoten. Dat ze zich anders voelen, ruzie maken, dat ze pesten en gepest worden. Dat ze eenzaam zijn, niet meer weten wie hun vrienden zijn, en dat ze zelf onbetrouwbare vrienden zijn. Magischerwijs bij elk van hen op ongeveer hetzelfde moment. Aha, denkt de psychologe in mij: misschien is dit een noodzakelijke periode voor de sociale ontwikkeling?

Of het waar is of niet, bij mijn jongste is dat alleszins mijn besluit: dat ik hem deze periode moet gunnen. Dat hij niet van school moet veranderen, dat ik geen interventies moet doen. Dat deze tijd van milde sociale onmacht en isolatie erbij hoort. Dat hij het recht heeft om zich ongelukkig te voelen. En dat ik het niet kan oplossen, niet zal oplossen. Dat ik wel achter en naast hem sta, maar dat hij dit zelf mag dragen.

En dat is zo aartsmoeilijk. Ik heb als moeder immers nooit iets anders gewild dan dat mijn kinderen gelukkig zijn. Dat lijkt mij zowat de Eed van Hippocrates voor ouders: "Ik zal er alles aan doen om mijn kinderen gelukkig te maken".

Maar wat als mijn kinderen tot gelukkige mensen laten opgroeien - op lange termijn- betekent dat ik hen nu -op korte termijn- juist tegenslag en verdriet en melancholie moet gunnen? Dat ook dat (juist dat?) deel uitmaakt van wat ik te geven heb: je mag worstelen, zoeken en alles voelen. Want daar word je straks een beter, evenwichtiger, boeiender en mooier mens van.

"Mijn kinderen hebben het recht hun eigen ellende te hebben en te dragen. Omdat hen dat de gelegenheid geeft sterk te worden. Ik hou van hen, dus gun ik hen dat, hoeveel pijn het ook doet."  (Angelique Besselaer)