Met lege handen.

In december vorig jaar stierf mijn grootmoeder. Het nieuws van haar dood bereikte mij op een moment dat ik vertrekkensklaar stond. Klaar om met mijn kinderen een winterse dag in Brugge door te brengen. Met de trein, gezellig met zijn vieren. En toen kwam verdriet ongevraagd langs. En wat deed ik daarom die hele treinrit lang? Telefoneren. Met mijn broer. Met mijn vader. Met mijn moeder.

Was ik maar met lege handen vertrokken, dan had ik mijn troost bij mijn kinderen gezocht. Dan hadden zij de kans gekregen bij mij te zijn op zo'n moment. Nu zagen ze een moeder over haar toeren, en die ging? Bellen. Wat een slecht voorbeeld. Voel je je slecht, neem je telefoon.

Enkele weken geleden ging ik met mijn jongste zoon en zijn kersverse vriend pizza eten en naar de film. Voor zijn verjaardag. Wat deed ik in het pizza-restaurant, aan tafel met die twee jongens? Alvast op mijn Ipad kijken wanneer welke film speelde. Zodat we konden kiezen voor we in de bioscoop stonden. Had ik daar maar met lege handen gezeten, dan had ik naar hun verhalen geluisterd en om hun grapjes gelachen.

Vrijdag was ik op een feestje, om mijn jarige schoonzus te vieren. Rond een uur of tien controleerde ik mijn telefoon, en zag een gemiste oproep van thuis. De kinderen misten mij, en hadden daarom geprobeerd mij te bereiken. Terugbellen kon ik niet meer, ze sliepen ondertussen. De babysit had bovendien al kundig gesust en getroost. Maar ik was zo dom om er mijn avond door te laten verpesten, om de resterende tijd in mineur aanwezig te zijn - omdat ik mij schuldig voelde en bij de kinderen wilde zijn. Was ik maar met lege handen uitgegaan, dan had ik pas van het verdriet geweten op het moment dat ik er ook werkelijk iets aan kon doen, de volgende morgen.

Lege handen, daar kan ik zo naar verlangen. En tegelijk zo in mislukken. Hoe ongestuurd en vingervlug grijp ik naar mijn telefoon. Gewoon even kijken of ik geen bericht heb gekregen. Er heeft toch niemand gebeld, toen ik even niet keek? Ik leg mijn telefoon er toch maar even bij, naast mij, als ik een gezelschapsspel speel, in goed gezelschap. Je weet maar nooit.

Ik doe het dus niet altijd goed. Dikwijls niet. Maar sinds ik mijzelf in positiviteit en geluk van alledag heb gespecialiseerd zijn mijn ogen wel opengegaan. En zijn mijn handen vaker leeg. Want als ik in het alledaagse meer geluk wil vinden heb ik duizend kleine beslissingen te maken. Telkens opnieuw: beslissen waar ik mijn aandacht aan geef. Aan die jeugd aan mijn tafel, die voorbij zal zijn voor ik het besef? Of aan mijn schermpje, mijn to-do lijst, mijn deadlines, de cijfers op de weegschaal, de nummers op de bankrekening? Dedju dedju, rationeel weet ik het allemaal wel.

Dus, deze is voor elke keer dat ik denk dat mijn inspanningen om aandacht voor het alledaagse te hebben, futiel zijn. Voor elke keer dat ik opnieuw overspoeld en afgeleid wordt door elektronische toestelletjes, zorgelijke boodschappen en druk van buitenaf, en daardoor mijn vermogen verlies om dankbaar te zijn voor wat voor mijn neus staat. Om mijzelf eraan te herinneren dat ik elke keer opnieuw mag beginnen. Dat ik elke minuut van elke dag opnieuw kan beslissen. Er is geen terugval, geen verloren zaak.

We worden voortdurend verleid door de nieuwste en beste elektronische gadgets en apps. We worden overspoeld door werkvragen en vrijwillige verzoeken. Aan onze huishoudelijke taken komt schijnbaar geen einde. Ook als we vandaag succesvol aan onze afleidingen weerstaan, wat met morgen? Hoe beschermen we wat werkelijk telt, met zoveel dat op ons af blijft komen? (Rachel Macy Stafford, 'Hands Free Life')

Door elke dag opnieuw te mogen beginnen. Door te voelen wat het opbrengt en hoe verslavend het is: om eenvoudigweg met aandacht aanwezig te zijn. Door mijn voornemen te koppelen aan regeltjes (de telefoon op stil tussen vier en zeven, geen werk na het avondeten, na negenen 's avonds altijd in de zetel met een boek). En door mij die momenten te herinneren waarop ik liever met lege handen had gestaan.